Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2019:1177

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
3 april 2019
Publicatiedatum
3 april 2019
Zaaknummer
18/2242 WSF
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet studiefinanciering 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging herziening studiefinanciering naar thuiswonende studerende wegens niet-woonachtig op brp-adres

Appellant stond ingeschreven op een brp-adres, maar de minister herzag de studiefinanciering vanaf 1 juli 2016 naar de norm voor thuiswonenden, omdat onderzoek uitwees dat appellant niet daadwerkelijk op dat adres woonde.

Na een huisbezoek en een rapportage waarin weinig persoonlijke bezittingen werden aangetroffen, concludeerde de minister dat appellant niet structureel op het brp-adres verbleef. De rechtbank verklaarde het bezwaar van appellant tegen deze herziening ongegrond.

In hoger beroep voerde appellant aan dat hij pas een half jaar op het adres woonde en weinig persoonlijke spullen had vanwege financiële beperkingen, maar de Raad oordeelde dat dit onvoldoende was om het oordeel van de rechtbank te weerleggen.

De verklaringen van vrienden en familie werden als te algemeen en onvoldoende onderbouwd beoordeeld. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en de terugvordering van de studiefinanciering.

Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in proceskosten.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant ten onrechte studiefinanciering ontving als uitwonende en wijst het hoger beroep af.

Uitspraak

18.2242 WSF

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 20 maart 2018, 17/2044 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)
Datum uitspraak: 3 april 2019
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. R. Zwiers, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 februari 2019. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Zwiers. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. G.J.M. Naber.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant stond vanaf 1 juni 2016 in de basisregistratie personen (brp) ingeschreven onder het adres [adres] (brp-adres). Een broer van appellant staat onder dit adres ingeschreven als hoofdbewoner.
1.2.
De minister heeft aan appellant vanaf 1 juli 2016 studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) toegekend, berekend naar de norm die geldt voor een uitwonende studerende.
1.3.
In de periode 15 november 2016 tot en met 29 november 2016 hebben twee controleurs in opdracht van de minister onderzoek gedaan naar de woonsituatie van appellant. Nadat de controleurs een aantal keren aangebeld hadden op het brp-adres maar daar geen gehoor vonden, hebben zij op 29 november 2016 aangebeld op het ouderlijk adres van appellant, waar appellant op dat moment aanwezig bleek te zijn. Vervolgens is aansluitend, in aanwezigheid van appellant, een huisbezoek afgelegd op het brp-adres. Van het onderzoek is een rapport opgemaakt.
1.4.
Bij besluit van 30 december 2016, heeft de minister – voor zover hier van belang – op basis van de bevindingen van het onder 1.3 vermelde onderzoek de aan appellant toegekende studiefinanciering met ingang van 1 juli 2016 herzien, in die zin dat hij vanaf die datum als thuiswonende studerende is aangemerkt. Daarbij is de te veel betaalde studiefinanciering van hem teruggevorderd.
1.5.
Bij besluit van 27 maart 2017 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar tegen het besluit van 30 december 2016 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe is, voor zover van belang, overwogen dat de minister met de bevindingen van het door hem verrichte onderzoek voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat appellant ten tijde van het onderzoek op 29 november 2016 niet woonde op het brp-adres.
Uit het rapport blijkt dat appellant verklaard heeft dat hij alleen slaapt op het brp-adres. Verder zijn op het brp-adres, afgezien van wat kleding en verzorgingsproducten, geen rechtstreeks tot appellant herleidbare persoonlijke zaken aangetroffen die duiden op een structureel verblijf van appellant aldaar. De in beroep overgelegde verklaringen van de moeder van appellant en van een klasgenoot van appellant vormen onvoldoende tegenbewijs. De verklaringen zijn daarvoor te algemeen van aard.
3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat de minister voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat appellant niet woonde op zijn brp-adres. Miskend wordt dat appellant ten tijde van de controle pas een half jaar woonde op het brp-adres en dat hij niet over financiële middelen beschikte om zijn kamer verder in te richten. Hij heeft niet meer persoonlijke spullen.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1.
Appellant heeft in hoger beroep geen nieuwe gronden naar voren gebracht of redenen vermeld waarom de rechtbank tot andere oordelen had moeten komen. Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd is, in grote lijnen, een herhaling van de in beroep aangevoerde gronden.
4.2.
De rechtbank heeft deze beroepsgronden in de aangevallen uitspraak afdoende besproken en genoegzaam gemotiveerd waarom deze niet leiden tot een vernietiging van het bestreden besluit. De Raad onderschrijft, op hoofdlijnen, de overwegingen die tot het oordeel in de aangevallen uitspraak hebben geleid. Hier wordt het volgende aan toegevoegd.
4.3.
Ook bij een periode van een half jaar, die appellant stelt te wonen op het brp-adres, valt redelijkerwijs te verwachten dat daar, buiten wat kledingstukken, spullen worden aangetroffen die het persoonlijke stempel van appellant dragen. Het gestelde gebrek aan financiële middelen kan verklaren waarom de getoonde kamer sober is ingericht maar biedt geen overtuigende en afdoende verklaring voor de afwezigheid van persoonlijke zaken. Een matras met beddengoed en een paar verzorgingsproducten vallen niet onder spullen die het persoonlijke stempel van appellant dragen. In het rapport van het huisbezoek staat beschreven dat appellant desgevraagd verklaard heeft dat hij de controleurs al zijn spullen getoond heeft. Een laptop behoort niet tot de getoonde spullen. De ter zitting bij de rechtbank naar voren gebrachte, en in hoger beroep herhaalde, stelling dat de laptop van appellant in de woonkamer stond maar dat de controleurs daar niet naar gekeken hebben, wordt, reeds gelet op het stadium waarin deze stelling voor het eerst naar voren is gebracht, niet geloofwaardig geacht.
4.4.
De door appellant in hoger beroep overgelegde verklaringen van twee vrienden geven geen reden tot twijfel aan de door de rechtbank, in navolging van de minister, uit de bevindingen en waarnemingen van de controleurs getrokken conclusie. De enkele stelling dat zij wel eens bij appellant op visite komen is daartoe onvoldoende. Bovendien ontbreekt het tijdvak waarop de verklaringen zien.
4.5.
Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van S.L. Alves als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 april 2019.
(getekend) J. Brand
(getekend) S.L. Alves
IvR