Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2019:1175

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
3 april 2019
Publicatiedatum
3 april 2019
Zaaknummer
17/6864 WSF
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet studiefinanciering 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging herziening studiefinanciering op basis van huisbezoekrapportage

Appellant ontving studiefinanciering vanaf 1 oktober 2014 als uitwonende student. Na een onderzoek naar zijn woonsituatie, uitgevoerd door twee controleurs, besloot de minister op 4 november 2016 de studiefinanciering te herzien en appellant als thuiswonende student aan te merken, met terugvordering van € 5.124,82.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het huisbezoekrapport als grondslag voor de herziening kon dienen, terwijl reisgegevens niet waren gebruikt bij het besluit. Appellant stelde in hoger beroep dat de reisgegevens wel degelijk waren gebruikt, verwijzend naar een brief waarin een boete werd aangekondigd op basis van die gegevens.

De Raad oordeelde dat de reisgegevens niet aan het bestreden besluit ten grondslag lagen en dat het bestuursorgaan in het kader van een volledige heroverweging vrij is om aanvankelijk gebruikte bewijsmiddelen buiten beschouwing te laten. In dit geval werd alleen de huisbezoekrapportage gebruikt, wat voldoende was om het besluit te dragen. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het bestreden besluit tot herziening van studiefinanciering op basis van de huisbezoekrapportage en wijst het hoger beroep af.

Uitspraak

17/6864 WSF
Datum uitspraak: 3 april 2019
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van
6 oktober 2017, 17/3476 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft C. Moustaïne, advocaat, hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 januari 2019. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. U. Arslan, advocaat. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. E.H.A. van den Berg.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant stond vanaf 1 oktober 2014 in de basisregistratie personen ingeschreven onder het adres [adres] en vanaf die datum ontving hij studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000, berekend naar de norm die geldt voor een uitwonende studerende.
1.2.
Op 23 september 2016 hebben twee controleurs in opdracht van de minister onderzoek gedaan naar de woonsituatie van appellant. Van de bevindingen van het onderzoek is een rapport opgemaakt.
1.3.
Bij besluit van 4 november 2016, gehandhaafd na bezwaar bij besluit van 20 april 2017 (bestreden besluit), heeft de minister op basis van de bevindingen van het onderzoek de aan appellant toegekende studiefinanciering met ingang van 1 oktober 2014 herzien, in die zin dat hij vanaf die datum als thuiswonende studerende is aangemerkt. Daarbij is een bedrag van
€ 5.124,82 van hem teruggevorderd.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft, voor zover hier van belang, overwogen dat de bevindingen van het onderzoek kunnen dienen als grondslag voor de herziening. De rechtbank heeft verder overwogen dat uit de gedingstukken blijkt dat van de reisgegevens van appellant geen gebruik is gemaakt bij het nemen van het besluit van
4 november 2016 en het bestreden besluit.
3.1.
Appellant heeft in hoger beroep betoogd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de herziening stand kan houden. Hij heeft zich daartoe op het standpunt gesteld dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat bij de herziening van de eerder toegekende studiefinanciering de reisgegevens niet zijn gebruikt. Hij heeft daarbij gewezen op de brief van 15 november 2016 waarin de minister aan appellant heeft meegedeeld dat hij voornemens is een boete op te leggen. In die brief is vermeld dat de reisgegevens mede aan de herziening ten grondslag zijn gelegd. Ten onrechte zijn daarom de reisgegevens niet aan de rechtbank gezonden.
3.2.
De minister heeft er in zijn verweerschrift op gewezen dat de reisgegevens wel mede aan het besluit van 4 november 2016 ten grondslag zijn gelegd.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1.
Het hoger beroep is beperkt tot de vraag of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de minister aan het bestreden besluit niet tevens reisgegevens van appellant ten grondslag heeft gelegd.
4.2.1.
Ten onrechte gaat appellant ervan uit dat aan het bestreden besluit ook reisgegevens ten grondslag zijn gelegd. Dat blijkt niet uit het bestreden besluit en het blijkt niet uit wat de gemachtigde van de minister ter zitting bij de rechtbank heeft verklaard. De reisgegevens zijn, omdat ze bij de beslissing op bezwaar geen rol hebben gespeeld, geen op het geding betrekking hebbende stukken en ze behoefden dan ook niet te worden ingezonden. De rechtbank heeft bij de vraag of het bestreden besluit dat bij haar ter toetsing voorlag in rechte stand zou houden, ook uitsluitend beoordeeld en kunnen beoordelen aan de hand van de bewijsmiddelen die aan dat besluit ten grondslag waren gelegd. Dat de rechtbank ervan is uitgegaan dat de reisgegevens ook niet ten grondslag waren gelegd aan het besluit van
4 november 2016 is weliswaar onjuist, maar voor de beoordeling van het geschil niet relevant.
4.2.2.
In het kader van een volledige heroverweging staat het een bestuursorgaan vrij om aanvankelijk gebruikte bewijsmiddelen alsnog buiten beschouwing te laten. In het voorliggende geval heeft dit ertoe geleid dat slechts de rapportage van het huisbezoek als bewijsmiddel is gebruikt. Naar het oordeel van de rechtbank kon die rapportage het bestreden besluit dragen. Tegen dat oordeel is appellant in hoger beroep niet opgekomen.
4.3.
Uit 4.2.1 en 4.2.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd, voor zover deze is aangevochten.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van S.L. Alves als griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 april 2019.
(getekend) J. Brand
(getekend) S.L. Alves
lh