ECLI:NL:CRVB:2019:1146
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verlies recht op WGA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante, werkzaam als schoonmaakster en assistent welzijn, meldde zich in 2012 ziek met psychische klachten en ontving vanaf 2014 een loongerelateerde WGA-uitkering op basis van 100% arbeidsongeschiktheid. Na een herbeoordeling door het UWV in 2015 werd vastgesteld dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was, waardoor haar uitkering werd beëindigd.
Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, maar het UWV verklaarde dit ongegrond op basis van rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep. De verzekeringsarts constateerde beperkingen, maar vond deze niet zodanig dat recht op uitkering bestond. De rechtbank Amsterdam oordeelde in 2017 dat de medische grondslag deugdelijk was en het bezwaar ongegrond.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar psychische en schouderklachten ernstiger waren en dat de geselecteerde functies niet passend waren. De Centrale Raad van Beroep volgde dit niet. De Raad stelde vast dat de medische onderzoeken inconsistenties en overrapporteren van klachten aantoonden, en dat de beperkingen zorgvuldig waren vastgesteld. Ook de arbeidsdeskundige had voldoende gemotiveerd dat de functies medisch passend waren.
De Raad wees het hoger beroep af en bevestigde het bestreden besluit dat appellante geen recht meer heeft op een WGA-uitkering per 22 november 2015. De brief van het UWV uit 2018 waarin een nieuwe uitkering werd toegekend, kon niet leiden tot andere conclusies voor de datum in geschil. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het verlies van recht op WGA-uitkering bevestigd.