ECLI:NL:CRVB:2019:1137
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziekengeld op grond van zorgvuldige medische beoordeling bevestigd
Appellante, werkzaam als productiemedewerker, meldde zich op 3 februari 2015 ziek met psychische en lichamelijke klachten. Haar dienstverband eindigde op 9 februari 2015. Het Uwv kende haar ziekengeld toe op grond van de Ziektewet. Na een medisch onderzoek op 31 maart 2016 oordeelde de verzekeringsarts dat appellante per 4 april 2016 geschikt was voor haar laatst verrichte arbeid, waarna het Uwv het recht op ziekengeld beëindigde.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en alle klachten, inclusief knieklachten en psychische stoornissen, waren meegewogen. Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar beperkingen onvoldoende waren meegewogen, maar bracht geen nieuwe medische informatie in.
De Raad oordeelde dat het Uwv terecht het recht op ziekengeld had beëindigd. De verzekeringsarts had de klachten adequaat beoordeeld, inclusief de somatische en psychische aandoeningen, en het lichte karakter van het werk was meegenomen. Er was geen reden om te twijfelen aan de juistheid van het medisch oordeel. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en het besluit tot beëindiging van het recht op ziekengeld blijft in stand.