ECLI:NL:CRVB:2019:1135
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens niet verstrekken feitelijke verblijfplaats
Appellant ontving bijstand sinds 2004 en stond tot 1 januari 2017 ingeschreven op een adres. Vanaf die datum gaf hij een briefadres op als uitkeringsadres. Het dagelijks bestuur startte een onderzoek naar de rechtmatigheid van de bijstand na een melding over de gewijzigde inschrijving. Diverse bronnen werden geraadpleegd en een huisbezoek werd geprobeerd, maar niet gerealiseerd. Appellant verscheen op een gesprek maar verstrekte geen controleerbare gegevens over zijn verblijfplaats.
Het dagelijks bestuur trok de bijstand per 1 januari 2017 in wegens schending van de inlichtingenverplichting op grond van artikel 17 PW Pro, omdat appellant geen vaste woon- of verblijfplaats kon aantonen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep voerde appellant onder meer dat hij wel in de gemeente verbleef en overleg had met zijn jobcoach.
De Raad oordeelde dat het enkel opgeven van een briefadres onvoldoende is en dat het dagelijks bestuur aannemelijk had gemaakt dat appellant geen controleerbare verblijfadressen verstrekte. Verklaringen van een hoofdbewoner en bankafschriften konden het ontbreken van een vaste verblijfplaats niet weerleggen. Ook het gesprek met de jobcoach bood geen steun voor het verweer. De Raad bevestigde daarom de intrekking van de bijstand en de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wordt bevestigd omdat appellant geen controleerbare verblijfadressen verstrekte.