ECLI:NL:CRVB:2019:113
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen niet-ontvankelijkheid bezwaar WIA-uitkering wegens hersteltermijn
Betrokkene verzocht meerdere malen om terug te komen op een besluit van het UWV uit 2005 waarin zijn WIA-aanvraag werd afgewezen. Na eerdere procedures en een uitspraak van de rechtbank in 2015, diende betrokkene in 2016 opnieuw een verzoek in. Het UWV verklaarde het bezwaar tegen de afwijzing van dit verzoek niet-ontvankelijk wegens het niet tijdig indienen van de gronden van bezwaar binnen de gestelde hersteltermijn.
De rechtbank oordeelde dat de hersteltermijn onredelijk kort was, mede omdat de brief met de termijn niet aangetekend was verzonden en betrokkene in het buitenland woonde. De Raad stelde vast dat betrokkene en zijn gemachtigde reeds bekend waren met de zaak en dat het verzoek in wezen gelijk was aan eerdere verzoeken zonder nieuwe feiten of omstandigheden.
De Raad concludeerde dat de hersteltermijn niet onredelijk kort was en dat betrokkene de mogelijkheid had gehad om tijdig bezwaargronden in te dienen of om verlenging te verzoeken. Daarom vernietigde de Raad het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep ongegrond.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het bezwaar is terecht niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet tijdig indienen van gronden binnen de hersteltermijn.