ECLI:NL:CRVB:2019:1074
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens niet melden autotransacties
De zaak betreft het hoger beroep van appellant tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam om zijn bijstand over diverse maanden tussen 2008 en 2013 in te trekken en de kosten terug te vorderen, omdat appellant niet had gemeld dat hij met voertuigen op zijn naam transacties verrichtte.
Het college baseerde het besluit op het feit dat appellant de inlichtingenverplichting had geschonden door het niet melden van deze transacties, waardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld. Appellant voerde aan dat het om vriendendiensten ging zonder geldelijke vergoeding, maar dit verweer werd verworpen op grond van vaste rechtspraak die stelt dat op geld waardeerbare activiteiten van belang zijn, ongeacht intentie of daadwerkelijke inkomsten.
De Raad oordeelde dat appellant onvoldoende controleerbare gegevens had verstrekt om het recht op bijstand vast te stellen en dat het college niet verplicht was om het recht schattenderwijs vast te stellen. De eigen verklaring van appellant was ontoereikend en het hoger beroep werd afgewezen. Er werd geen aanleiding gezien voor kostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand wordt bevestigd.