ECLI:NL:CRVB:2019:107
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van WAO-uitkering bij arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65 procent
Appellant, voormalig magazijnmedewerker en taxichauffeur, viel in 2001 uit wegens psychische klachten en ontving een WAO-uitkering. Na diverse herbeoordelingen en het staken van zelfstandige werkzaamheden in 2014, werd zijn uitkering per 1 oktober 2014 heropend met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 55 tot 65%.
Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, stellende dat zijn psychische klachten ernstiger waren dan vastgesteld en dat onvoldoende rekening was gehouden met zijn beperkingen, waaronder medicijngebruik en opleidingsniveau. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond, oordeelde dat het Uwv zorgvuldig had gehandeld en dat de medische en arbeidskundige rapporten voldoende waren.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn bezwaren, maar bracht geen nieuwe objectief-medische gegevens in. De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank en het Uwv, waarbij onder meer werd gewezen op een matig-ernstige depressie en dat het medicijngebruik geen beperkingen voor autorijden opleverde. Ook de geschiktheid van de geduide functies werd bevestigd.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de eerdere uitspraak en verklaart het hoger beroep ongegrond, waarmee de vaststelling van de arbeidsongeschiktheid op 55 tot 65% gehandhaafd blijft.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de vaststelling van de WAO-uitkering op 55 tot 65% arbeidsongeschiktheid.