ECLI:NL:CRVB:2019:1065
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging recht op kinderbijslag bij co-ouderschap met terugwerkende kracht
Betrokkene en haar ex-echtgenoot zijn sinds 2014 gescheiden en hebben een co-ouderschapsregeling waarbij de kinderbijslag voor hun dochter aan betrokkene toekomt en voor hun zoon aan de ex-echtgenoot. In 2015 vroeg betrokkene om haar als aanvrager van de kinderbijslag voor haar dochter te registreren vanaf het eerste kwartaal van dat jaar.
Appellant, de Sociale verzekeringsbank, weigerde dit met terugwerkende kracht toe te passen en verwees naar artikel 18, zesde lid, van de Algemene kinderbijslagwet (AKW). De rechtbank verklaarde het bezwaar van betrokkene gegrond en vernietigde het besluit van appellant. In hoger beroep bevestigt de Raad deze uitspraak.
De Raad overweegt dat artikel 14, derde lid, van de AKW het mogelijk maakt om het recht op kinderbijslag met terugwerkende kracht tot een jaar vast te stellen. Gezien de co-ouderschapsregeling en de afspraken tussen partijen moet appellant het recht op kinderbijslag voor de dochter aan betrokkene toekennen vanaf het eerste kwartaal van 2015. Er is geen sprake van feitelijke terugvordering bij de ex-echtgenoot, maar van een formele administratieve correctie die betrokkene in staat stelt haar aanspraken op het kindgebonden budget te realiseren.
De Raad wijst het hoger beroep van appellant af en bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd, maar appellant wordt een griffierecht van € 501,- opgelegd.
Uitkomst: Het recht op kinderbijslag voor de dochter wordt vanaf het eerste kwartaal van 2015 aan betrokkene toegekend met terugwerkende kracht.