ECLI:NL:CRVB:2019:106
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van beëindiging WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid per 20 juli 2015
Appellante was sinds 7 december 2010 ziek gemeld met klachten aan de linkerpols en ontving sinds 2012 een WGA-uitkering op grond van de Wet WIA. Na een medisch onderzoek in 2015 werd vastgesteld dat haar beperkingen minder ernstig waren dan eerder aangenomen, wat leidde tot beëindiging van haar uitkering per 20 juli 2015.
De rechtbank had het bezwaar van appellante tegen dit besluit gegrond verklaard en het besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen van het besluit in stand gelaten. De rechtbank oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was verricht en dat appellante in staat was om bepaalde geselecteerde functies te verrichten.
In hoger beroep herhaalde appellante haar bezwaren, stellende dat haar beperkingen ernstiger waren dan vastgesteld. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellante geen nieuwe medische informatie had overgelegd en dat het medisch onderzoek en de vastgestelde beperkingen juist waren. De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en liet de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand.
Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in proceskosten. De uitspraak werd gedaan door B.J. van de Griend, in aanwezigheid van griffier R.P.W. Jongbloed.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WIA-uitkering per 20 juli 2015 wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.