ECLI:NL:CRVB:2019:1035
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellante werkte sinds 2010 als administratief medewerker en meldde zich in december 2014 ziek met lichamelijke en psychische klachten. In 2016 verzocht zij het UWV om een WIA-uitkering, maar het UWV stelde vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en wees het verzoek af. Appellante maakte bezwaar, dat ongegrond werd verklaard door het UWV.
De rechtbank Limburg verklaarde het beroep van appellante tegen het besluit ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig en conform de vereisten was uitgevoerd. Appellante stelde in hoger beroep dat het beginsel van equality of arms werd geschonden omdat zij geen onafhankelijke deskundige kon inschakelen, maar dit werd door de Raad verworpen.
De Raad toetste of het UWV de beperkingen van appellante juist had vastgesteld en of het niet inschakelen van een deskundige terecht was. De Raad concludeerde dat appellante onvoldoende had onderbouwd waarom een urenbeperking noodzakelijk was en onderschreef het oordeel van de verzekeringsarts dat geen urenbeperking geïndiceerd was. Het hoger beroep werd verworpen en het verzoek om schadevergoeding geweigerd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.