ECLI:NL:CRVB:2019:1022
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid CAK tot omleiding zorgtoeslag ter voldoening bestuursrechtelijke premie
Appellante was vanaf maart 2010 bestuursrechtelijke premie verschuldigd wegens aanmelding als wanbetaler bij haar zorgverzekeraar. Na een afmelding per 1 november 2010 werd zij op 30 november 2010 opnieuw aangemeld als wanbetaler, waardoor zij vanaf december 2010 opnieuw premie verschuldigd was. Het CAK stelde een eindafrekening op over de periode maart tot oktober 2010 en besloot later de zorgtoeslag van appellante om te leiden naar het CJIB ter gedeeltelijke voldoening van de openstaande premie.
Appellante maakte bezwaar tegen deze omleiding van de zorgtoeslag, maar het CAK verklaarde dit bezwaar ongegrond. De rechtbank bevestigde dit oordeel en stelde dat de rechter niet bevoegd is de innerlijke waarde of billijkheid van de wet te toetsen. In hoger beroep voerde appellante aan dat bij het ontbreken van een hardheidsclausule de beginselen van behoorlijk bestuur gelden en dat onduidelijkheid bestond over de relatie tussen de omleiding en eerdere afmelding als wanbetaler.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de omleiding van de zorgtoeslag niet samenhangt met de eerdere afmelding en dat het CAK op grond van artikel 18f, zesde lid, Zvw bevoegd was tot deze omleiding. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het CAK tot omleiding van de zorgtoeslag bevestigd.