ECLI:NL:CRVB:2019:1013
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging WAO-uitkering bij arbeidsongeschiktheid van 25-35% ondanks psychische klachten
Appellante, werkzaam als groepsleider, meldde zich in 1996 ziek met psychische klachten en kreeg vanaf 1997 een WAO-uitkering. Na een melding van verslechtering in 2015 werd haar arbeidsongeschiktheid opnieuw beoordeeld en vastgesteld tussen 25 en 35%.
De rechtbank oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, waarbij alle klachten en diagnoses, waaronder depressieve stoornis, angststoornis en mogelijk persoonlijkheidsstoornis, zijn betrokken. De verzekeringsarts bezwaar en beroep bevestigde in een aanvullend onderzoek dat de beperkingen van appellante niet waren toegenomen.
In hoger beroep herhaalde appellante haar stellingen over ernstigere psychische klachten en wisselende belastbaarheid door medicatie. De Raad volgde echter de eerdere medische conclusies en vond geen aanleiding tot herziening. De functies waarop de arbeidsongeschiktheid is gebaseerd, zijn medisch geschikt bevonden.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de eerdere uitspraak en wijst het hoger beroep af, waarmee de WAO-uitkering op basis van 25 tot 35% arbeidsongeschiktheid gehandhaafd blijft.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de WAO-uitkering op basis van 25 tot 35% arbeidsongeschiktheid en wijst het hoger beroep af.