ECLI:NL:CRVB:2019:1006
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging geen recht meer op ziekengeld wegens voldoende verdiencapaciteit
Appellante was persoonlijk begeleider en meldde zich op 12 november 2014 ziek met fysieke klachten. Zij ontving een uitkering op grond van de Werkloosheidswet en kreeg daarna ziekengeld op basis van de Ziektewet. Na een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek stelde het Uwv vast dat zij meer dan 65% van haar maatmaninkomen kon verdienen, waarna het recht op ziekengeld werd beëindigd.
Appellante maakte bezwaar en het Uwv herzag het besluit, maar handhaafde het standpunt dat zij geen recht meer had op ziekengeld. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarbij zij oordeelde dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was en dat de beperkingen van appellante juist waren vastgesteld. De rechtbank vond de medische onderbouwing van appellante onvoldoende om tot een andere conclusie te komen.
In hoger beroep herhaalde appellante haar klachten en voerde zij aan dat haar beperkingen waren onderschat, met name op het gebied van fysieke belasting en psychische klachten. Zij overhandigde nieuwe medische informatie, maar deze betrof een latere periode dan de datum in geding en was daarom niet relevant voor de beoordeling.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef de overwegingen van de rechtbank en bevestigde het besluit dat appellante geen recht meer heeft op ziekengeld. Er werd geen aanleiding gezien voor het benoemen van een onafhankelijke deskundige en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geen recht meer heeft op ziekengeld omdat zij meer dan 65% van haar maatmaninkomen kan verdienen.