ECLI:NL:CRVB:2019:100
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijstandsaanvraag wegens onvoldoende bewijs levensonderhoud voorafgaand aan aanvraag
Appellant heeft op 30 oktober 2015 melding gemaakt voor bijstand en op 16 december 2015 een aanvraag ingediend. Het college van burgemeester en wethouders van Helmond wees de aanvraag af omdat niet duidelijk was waar appellant feitelijk woonde en hoe hij in zijn levensonderhoud voorzag.
De rechtbank Oost-Brabant vernietigde dit besluit wegens onvoldoende motivering en droeg het college op een nieuw besluit te nemen. Het college handhaafde de afwijzing na nader feitenonderzoek. Appellant stelde zich op het standpunt dat hij voldoende gegevens had verstrekt, onder meer via een verklaring van zijn broer die hem verzorgde.
De Raad oordeelde dat de verklaring van de broer onvoldoende was omdat er geen objectieve en verifieerbare bewijsstukken waren, zoals bankafschriften die betalingen aantonen. Ook bleek uit de bankafschriften dat appellant uitgaven deed die niet strookten met de verklaring. Daarom werd het beroep ongegrond verklaard en het besluit tot afwijzing gehandhaafd.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de bijstandsaanvraag wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende bewijs over levensonderhoud.