ECLI:NL:CRVB:2018:991
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van WAO-uitkeringsbesluit na beoordeling arbeidsongeschiktheid psychische klachten
Appellant heeft sinds 1999 meerdere periodes een WAO-uitkering ontvangen vanwege psychische klachten. Na een onderbreking en nieuwe ziekmelding in 2009 en 2013, heeft het UWV in 2014 vastgesteld dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was, waardoor geen recht op WAO-uitkering bestond. Appellant maakte bezwaar en een verzekeringsarts bezwaar en beroep beoordeelde de medische situatie opnieuw op 7 februari 2013, 14 oktober 2014 en 8 januari 2015, waarbij vanaf 7 februari 2013 een arbeidsduurbeperking werd aangenomen, maar vanaf oktober 2014 niet meer.
Een arbeidsdeskundige berekende de mate van arbeidsongeschiktheid op respectievelijk 74,86% en 45,05%. Het UWV verklaarde het bezwaar gegrond en stelde de uitkering vast op 65-80% vanaf 7 februari 2013 en 45-55% vanaf 14 oktober 2014, met een daglooncorrectie. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het eerste besluit gegrond en tegen het tweede ongegrond.
In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn beperkingen niet waren verminderd en dat de arbeidsduurbeperking ten onrechte was komen te vervallen. De Raad oordeelde dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep een deugdelijke en gemotiveerde beoordeling had gegeven, waarbij de stabilisatie van het psychisch evenwicht in 2014 leidde tot het vervallen van de arbeidsduurbeperking. De Raad vond geen aanleiding om het standpunt van het UWV te verwerpen en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het besluit van het UWV dat appellant recht heeft op een WAO-uitkering met de vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid vanaf 7 februari 2013 en 14 oktober 2014.