Uitspraak
16.7519 PW
OVERWEGINGEN
.
Centrale Raad van Beroep
Appellant vroeg bijstand aan op grond van de Participatiewet en gaf aan een alleenstaande te zijn. Het college stelde echter vast dat appellant een gezamenlijke huishouding voerde met G, wat leidde tot afwijzing van de aanvraag. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep betwistte appellant het oordeel over de wederzijdse zorg en stelde dat hij huur in natura betaalde en geen gezamenlijke zorg droeg.
De Raad beoordeelde de periode van 4 september tot 9 oktober 2015 en concludeerde dat appellant en G weliswaar samenwoonden, maar ook aan het criterium van wederzijdse zorg werd voldaan. Dit bleek uit de verklaring van appellant op 1 oktober 2015, waarin hij toegaf huishoudelijke taken te verrichten, de hond te verzorgen, en financiële zaken te delen met G. De Raad verwierp het betoog dat sprake was van een zakelijke huurrelatie of gescheiden huishoudens.
De Raad oordeelde dat de motieven voor het samenwonen niet relevant zijn voor het criterium van wederzijdse zorg. De conclusie was dat appellant geen recht had op bijstand als alleenstaande en bevestigde daarmee het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant een gezamenlijke huishouding voerde en wijst het hoger beroep af.