ECLI:NL:CRVB:2018:92
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Zorgkantoor verklaart bezwaar onterecht niet-ontvankelijk wegens verschoonbare termijnoverschrijding
Appellant had een persoonsgebonden budget (pgb) voor AWBZ-zorg in 2014, dat het Zorgkantoor op nihil stelde en een terugvordering van €7.682,92 oplegde. Appellant maakte bezwaar, maar het Zorgkantoor verklaarde dit niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de bezwaartermijn. De rechtbank bevestigde dit oordeel.
In hoger beroep stelde appellant dat hij door psychotische episoden niet in staat was zijn belangen te behartigen en geen ziektebesef had, waardoor hij de termijnoverschrijding niet kon voorkomen. De Raad stelde vast dat appellant niet in staat was zijn administratie te voeren en ook geen derden dit liet doen. Dit werd onderbouwd met verklaringen van psychiaters en een sociaal psychiatrisch verpleegkundige.
De Raad oordeelde dat de termijnoverschrijding verschoonbaar was en dat het Zorgkantoor het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk had verklaard. De rechtbank had dit niet onderkend en de uitspraak werd vernietigd. De Raad draagt het Zorgkantoor op een nieuw besluit te nemen, waarbij ook de verzoeken van de moeder van appellant om het pgb stop te zetten en terugbetaling van teveel ontvangen bedragen meegewogen moeten worden.
Tot slot veroordeelde de Raad het Zorgkantoor in de proceskosten en bepaalde dat tegen het nieuwe besluit alleen beroep bij de Raad kan worden ingesteld.
Uitkomst: Het bezwaar van appellant wordt gegrond verklaard en het Zorgkantoor moet een nieuw besluit nemen waarbij de termijnoverschrijding verschoonbaar wordt geacht.