ECLI:NL:CRVB:2018:901
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling juistheid vaststelling mate arbeidsongeschiktheid en WGA-loonaanvullingsuitkering
Appellant, voormalig vrachtwagenchauffeur, meldde zich in 2004 ziek vanwege diabetes en psychische klachten. Na een periode van 104 weken werd een WGA-uitkering toegekend met een arbeidsongeschiktheid van 100%. In 2014 vond een herbeoordeling plaats waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid werd vastgesteld op 39,53%, gebaseerd op medische en arbeidskundige rapporten.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat zijn situatie verslechterd was en dat hij vaker last had van hypoglykemieën dan aangenomen, wat tot meer beperkingen zou moeten leiden. Het UWV liet aanvullend medisch onderzoek uitvoeren, waarbij enkele extra beperkingen werden opgenomen, maar de mate van arbeidsongeschiktheid veranderde nauwelijks.
De Raad concludeerde dat de medische en arbeidskundige onderbouwing zorgvuldig en voldoende was. De aanvullende beperkingen waren adequaat verwerkt in de Functionele Mogelijkhedenlijst. Het standpunt van appellant dat hij recht had op een WAO-uitkering werd verworpen omdat hij zich pas in 2014 arbeidsongeschikt meldde en daarmee onder de Wet WIA viel.
Hoewel het bestreden besluit aanvankelijk onvoldoende was gemotiveerd, werd dit gebrek in hoger beroep hersteld zonder nadelige gevolgen voor appellant. Het hoger beroep werd daarom afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Het UWV werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierechten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd; de mate van arbeidsongeschiktheid is juist vastgesteld.