ECLI:NL:CRVB:2018:880

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
20 maart 2018
Publicatiedatum
26 maart 2018
Zaaknummer
16/7548 PW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proceskostenveroordeling
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 44 PWArt. 43 WWB
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing bijstandsaanvraag met terugwerkende kracht wegens ontbreken bijzondere omstandigheden

Appellante vroeg bijstand aan op grond van de Participatiewet met een eerste aanvraag op 11 mei 2015, die door het college buiten behandeling werd gesteld wegens het niet tijdig aanleveren van bewijsstukken. Een tweede aanvraag op 1 juli 2015 leidde tot toekenning van bijstand per die datum.

Appellante maakte bezwaar tegen de toekenning per 1 juli 2015 en stelde in hoger beroep dat zij recht had op bijstand met terugwerkende kracht vanaf 1 mei 2015, omdat de stukken voor de eerste aanvraag wel tijdig waren ingediend. De Raad oordeelde dat het bezwaar niet gericht was tegen het besluit tot buitenbehandelingstelling en dat volgens vaste rechtspraak bijstand niet met terugwerkende kracht wordt toegekend zonder bijzondere omstandigheden.

De stelling van appellante dat zij de gevraagde stukken tijdig had ingeleverd bij de eerste aanvraag, kon niet als bijzondere omstandigheid worden aangemerkt, mede omdat zij niet tijdig bezwaar had gemaakt tegen het buitenbehandelingsbesluit. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek tot schadevergoeding afgewezen.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

16.7548 PW

Datum uitspraak: 20 maart 2018
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van
4 november 2016, 16/102 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Alkmaar (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. V.Y. Jokhan, advocaat, hoger beroep ingesteld en verzocht het college te veroordelen tot vergoeding van schade.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 februari 2018. Namens appellante is verschenen mr. Jokhan. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door R. van Gelder.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellante heeft zich op 1 mei 2015 gemeld om bijstand op grond van de Participatiewet (PW) aan te vragen naar de norm voor een alleenstaande (eerste aanvraag) en zij heeft op
11 mei 2015 de aanvraag ingediend. Bij brief van 27 mei 2015 heeft het college aan appellante verzocht om uiterlijk op 17 juni 2015 nadere bewijsstukken aan te leveren. Bij besluit van 24 juni 2015 heeft het college de aanvraag buiten behandeling gesteld op de grond dat appellante niet tijdig de benodigde gegevens heeft overgelegd (besluit tot buitenbehandelingstelling).
1.2.
Op 1 juli 2015 heeft appellante zich opnieuw gemeld om bijstand aan te vragen
(tweede aanvraag). Bij besluit van 22 juli 2015 heeft het college appellante per 1 juli 2015 bijstand toegekend naar de norm voor een alleenstaande.
1.3.
Bij brief van 4 augustus 2015 heeft appellante bezwaar gemaakt tegen het besluit van
22 juli 2015. Bij besluit van 26 november 2015 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Appellante heeft aangevoerd dat zij met haar bezwaarschrift van 4 augustus 2015 tevens bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit tot buitenbehandelingstelling. Deze beroepsgrond slaagt niet. In het bezwaarschrift van 4 augustus 2015 wordt uitsluitend het besluit van
22 juli 2015 genoemd en wordt nadrukkelijk vermeld dat het bezwaar tegen dit besluit, dat
is bijgesloten, is gericht. Op geen enkele wijze blijkt uit dit bezwaarschrift dat het ook is gericht tegen het besluit tot buitenbehandelingstelling. Het college heeft daarom terecht het bezwaarschrift alleen gericht geacht tegen het besluit van 22 juli 2015.
4.2.
Appellante heeft tevens aangevoerd dat zij naar aanleiding van de melding op 1 juli 2015 recht heeft op bijstand met terugwerkende kracht per 1 mei 2015, nu haar tweede aanvraag heeft geleid tot toekenning van bijstand op basis van dezelfde stukken als de stukken die in het kader van de eerste aanvraag zijn opgevraagd en zij deze stukken toen wel tijdig had ingeleverd.
4.3.
In artikel 44, eerste lid, van de PW is bepaald dat, indien door het college is vastgesteld dat recht op bijstand bestaat, de bijstand wordt toegekend vanaf de dag waarop dit recht is ontstaan, voor zover deze dag niet ligt voor de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen.
4.4.
Volgens vaste rechtspraak inzake toepassing van artikel 43 en Pro 44 van de Wet werk en bijstand (uitspraak van 15 juli 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2362), welke rechtspraak haar gelding heeft behouden ook na de inwerkingtreding van de PW, bestaat in beginsel geen recht op bijstand over een periode voorafgaand aan de datum waarop de betrokkene zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen of - in voorkomende gevallen - een aanvraag om bijstand heeft ingediend. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen.
4.5.
De stelling van appellante dat zij in het kader van de eerste aanvraag de van haar gevraagde stukken wel op tijd heeft ingeleverd, had zij tegen het besluit tot buitenbehandelingstelling van de eerste aanvraag aan de orde kunnen stellen. Reeds daarom kan deze stelling, ook indien deze juist is, niet worden aangemerkt als bijzondere omstandigheid als bedoeld in 4.4. Dat appellante niet goed op de hoogte zou zijn van de mogelijkheden om tegen een besluit op te komen, komt voor haar rekening en risico. Nog daargelaten dat onder het besluit tot buitenbehandelingstelling een bezwaarclausule was opgenomen, had appellante daartoe immers contact kunnen opnemen met het college of zich op andere wijze kunnen laten informeren.
4.6.
Gelet op wat hiervoor onder 4.1 tot en met 4.5 is overwogen, slaagt het hoger beroep niet en moet de aangevallen uitspraak worden bevestigd. Het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade komt om die reden niet voor toewijzing in aanmerking.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.
Deze uitspraak is gedaan door J.L. Boxum, in tegenwoordigheid van A. Mansourova als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 maart 2018.
(getekend) J.L. Boxum
(getekend) A. Mansourova

LO