ECLI:NL:CRVB:2018:873
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijstandsaanvragen wegens onduidelijke woonsituatie en schending inlichtingenplicht
Appellant diende op 24 april 2015 en opnieuw op 13 augustus 2015 aanvragen om bijstand in, waarbij hij als woonadres een kamer bij verhuurders op een bepaald adres opgaf. Na meldingen van de verhuurster en onderzoek door handhavingsspecialisten bleek appellant niet op het opgegeven adres te verblijven en ontbrak het aan bewijs voor het hoofdverblijf aldaar.
De gemeente weigerde de bijstand op grond van schending van de inlichtingenplicht, omdat appellant niet verscheen op een gesprek en onvoldoende duidelijkheid gaf over zijn woonsituatie. De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat de oproepbrief hem mogelijk niet had bereikt en dat hij wel degelijk op het adres verbleef.
De Raad oordeelde dat het risico van het niet ontvangen van post voor appellant komt en dat hij onvoldoende controleerbare informatie heeft verstrekt. De bevindingen tijdens huisbezoeken en verklaringen van de verhuurder ondersteunden het oordeel dat appellant niet zijn hoofdverblijf had op het opgegeven adres. De Raad bevestigde daarom de eerdere uitspraken en wees de verzoeken om schadevergoeding af.
Uitkomst: De bijstandsaanvragen worden afgewezen vanwege onvoldoende aannemelijkheid van het hoofdverblijf en schending van de inlichtingenplicht.