ECLI:NL:CRVB:2018:868
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstand wegens verzwegen werkzaamheden in tandartspraktijk
Appellante ontving bijstand sinds mei 2013. Naar aanleiding van een anonieme melding dat zij werkzaamheden verrichtte in een tandartspraktijk, startte het college een onderzoek. Dit leidde tot een besluit tot intrekking van de bijstand per 17 februari 2016, omdat appellante haar inlichtingenplicht zou hebben geschonden door deze werkzaamheden niet te melden.
Appellante verklaarde tijdens het onderzoek dat zij schoonmaakwerkzaamheden verrichtte zonder vergoeding, maar stelde later dat zij onterecht deze verklaring had afgelegd vanwege een persoonlijke relatie met een medewerker van de praktijk. De Raad oordeelde echter dat de verklaring van 17 februari 2016 bindend is, omdat deze zonder voorbehoud was afgelegd en gedetailleerd was.
De verklaring van de praktijkhouder dat appellante niet betaald werd, bevestigde dat zij wel werkzaamheden verrichtte. De Raad vond geen reden om van het algemene uitgangspunt af te wijken dat een afgelegde verklaring bindend is. Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de intrekking van de bijstand bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wegens verzwegen werkzaamheden wordt bevestigd.