ECLI:NL:CRVB:2018:860
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WIA-uitkering na herbeoordeling arbeidsongeschiktheid bevestigd
Appellante meldde zich ziek wegens rug- en heupklachten en ontving een WIA-uitkering met een arbeidsongeschiktheid van 100%. Na een herbeoordeling in 2014 stelde het UWV dat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedroeg en beëindigde de uitkering per 24 maart 2015.
Appellante maakte bezwaar en voerde aan dat haar beperkingen werden onderschat, met name op basis van een rapport van verzekeringsarts Offermans. De rechtbank oordeelde dat het UWV-onderzoek zorgvuldig was en dat de beperkingen juist waren vastgesteld, waarna het bezwaar ongegrond werd verklaard.
In hoger beroep liet de Raad een onafhankelijke verzekeringsarts rapporteren, die concludeerde dat er geen objectieve aanwijzingen zijn voor ernstigere beperkingen dan door het UWV aangenomen. De Raad volgde deze deskundige en oordeelde dat de geselecteerde functies binnen de belastbaarheid van appellante blijven.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt daarom het besluit van het UWV tot beëindiging van de WIA-uitkering per 24 maart 2015 en verklaart het hoger beroep ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de WIA-uitkering van appellante terecht is beëindigd per 24 maart 2015.