ECLI:NL:CRVB:2018:855
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van afwijzing WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant, voormalig voorman grondwerker, meldde zich ziek vanwege knieklachten en later ook nek-, schouder-, rug- en psychische klachten. Na een aanvraag voor een WIA-uitkering in 2014 werd door verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen vastgesteld dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en geschikt voor bepaalde functies, waardoor geen recht op uitkering ontstond.
Appellant voerde in bezwaar en beroep aan dat zijn klachten waren onderschat en dat hij vanwege de combinatie van lichamelijke en psychische klachten een urenbeperking zou moeten krijgen. Het UWV handhaafde het besluit, gesteund door medisch en arbeidskundig onderzoek.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en concludeerde dat de medische en arbeidskundige beoordelingen zorgvuldig en overtuigend waren. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel en wees erop dat geen nieuwe medische gegevens waren overgelegd die aanleiding gaven tot twijfel aan de vastgestelde belastbaarheid. Ook het feit dat appellant later een Ziektewetuitkering ontving, maakte de eerdere beoordeling niet onjuist.
De Raad concludeerde dat appellant medisch geschikt is voor de geselecteerde functies zonder urenbeperking en bevestigde daarmee het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant niet recht heeft op een WIA-uitkering vanwege onvoldoende arbeidsongeschiktheid.