ECLI:NL:CRVB:2018:851
Centrale Raad van Beroep
- Eerste en enige aanleg
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep op invaliditeitsuitkering en huishoudelijke hulp op grond van de Algemene Oorlogsongevallenregeling
Appellante, geboren in 1938, diende een aanvraag in voor een invaliditeitsuitkering en huishoudelijke hulp op grond van de Algemene Oorlogsongevallenregeling (AOR). Verweerder erkende het oorlogsletsel (psychische klachten) maar wees de invaliditeitsuitkering af omdat de beperkingen niet voldeden aan de criteria voor ongeschiktheid tot passende arbeid. Ook de aanvraag voor huishoudelijke hulp werd afgewezen wegens het ontbreken van medische noodzaak.
In het beroepsproces werd het standpunt van verweerder ondersteund door medische adviezen van geneeskundig adviseurs die stelden dat appellante milde psychische klachten had zonder beperkingen in de AMA-rubrieken en dat er geen verband was tussen het oorlogsletsel en de eerder vastgestelde volledige arbeidsongeschiktheid. De Raad verwierp het verweer van appellante dat zij beperkingen had in alle AMA-rubrieken en dat de adviseurs niet bevoegd waren DSM-diagnoses te stellen.
De Raad concludeerde dat er geen medische noodzaak was voor huishoudelijke hulp omdat er geen energetische beperkingen waren als gevolg van het oorlogsletsel. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het bestreden besluit bleef in stand.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van de invaliditeitsuitkering en huishoudelijke hulp blijft in stand.