ECLI:NL:CRVB:2018:788
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging rechtbankuitspraak inzake WIA-uitkering en arbeidsongeschiktheid
Appellante is sinds 15 februari 2008 arbeidsongeschikt voor haar werkzaamheden als kamermeisje en interieurverzorgster. Het UWV stelde aanvankelijk een gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid vast en kende een loongerelateerde WGA-uitkering toe. Na een gedeeltelijke werkhervatting en daaropvolgende ziekmelding werd bij besluit van 4 februari 2015 de arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 39,23%.
Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit en tegen een voorlopige uitkering over een eerdere periode. Na onderzoek door een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige werd de mate van arbeidsongeschiktheid bij besluit van 15 juli 2015 vastgesteld op 100%, terwijl het bezwaar tegen het voorlopige uitkeringsbesluit niet-ontvankelijk werd verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen beide besluiten ongegrond, waarbij zij oordeelde dat appellante op een hoorzitting is gehoord en dat het bezwaar tegen het voorlopige uitkeringsbesluit vanwege het ontbreken van procesbelang terecht niet-ontvankelijk werd verklaard. De Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak en wijst het hoger beroep af omdat appellante geen nieuwe gronden heeft aangevoerd. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de rechtbankuitspraak bevestigd.