ECLI:NL:CRVB:2018:715
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging Ziektewet-uitkering wegens arbeidsgeschiktheid als magazijnmedewerker
Appellant was timmerman en meldde zich op 3 april 2012 ziek. Na afloop van de wachttijd stelde het UWV vast dat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en geschikt voor zes andere functies. Na een hersteldverklaring per 16 juni 2015 verklaarde het UWV het recht op Ziektewet-uitkering beëindigd. Appellant maakte bezwaar, maar dit werd ongegrond verklaard.
De rechtbank bevestigde het besluit van het UWV en oordeelde dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat de medische rapporten onzorgvuldig of onjuist waren. In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn beperkingen, mede door medicatiegebruik, waren onderschat en dat hij meer beperkingen had moeten krijgen.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de beperkingen juist waren vastgesteld en dat er onvoldoende objectieve medische gegevens waren voor verdere beperkingen. De Raad bevestigde dat appellant geschikt was voor de functie van magazijnmedewerker en daarom geen recht meer had op ziekengeld. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot beëindiging van de Ziektewet-uitkering per 17 juni 2015 bevestigd.