ECLI:NL:CRVB:2018:712
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verzoek herziening vaststelling en terugvordering persoonsgebonden budget
Appellant had een persoonsgebonden budget (pgb) toegekend gekregen voor 2014, dat later door het Zorgkantoor werd vastgesteld op een lager bedrag met terugvordering van het verschil. Appellant maakte bezwaar tegen deze vaststelling, maar dit werd niet-ontvankelijk verklaard vanwege te late indiening. Vervolgens verzocht appellant om herziening van het besluit, maar dit verzoek werd afgewezen omdat geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden waren aangevoerd.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het Zorgkantoor terecht het verzoek tot herziening had afgewezen op grond van artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In hoger beroep voerde appellant aan dat het besluit evident onredelijk was, onder meer omdat het pgb daadwerkelijk was gebruikt voor zorginkoop en het Zorgkantoor in vergelijkbare gevallen wel tot herziening was overgegaan. Tevens werd een beroep gedaan op het vertrouwensbeginsel.
De Raad oordeelde dat er geen sprake was van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden en dat het Zorgkantoor niet in strijd met zijn gebruikelijke praktijk had gehandeld. De administratie van appellant vertoonde gebreken waardoor niet kon worden vastgesteld welke zorg concreet was geleverd. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat geen ondubbelzinnige toezegging was gedaan. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van het verzoek tot herziening bevestigd.