ECLI:NL:CRVB:2018:706
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling duurzaamheid arbeidsongeschiktheid en recht op IVA-uitkering
Appellante was werkzaam als callcentermedewerker en meldde zich in 2009 ziek met fysieke en psychische klachten. Het UWV kende haar vanaf 2011 een loongerelateerde WIA-uitkering toe wegens 100% arbeidsongeschiktheid, die werd stopgezet tijdens detentie. Na heropening van de uitkering vroeg appellante herbeoordeling aan, waarna het UWV in 2014 vaststelde dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was, wat leidde tot bezwaar en beroep.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het eerste besluit niet-ontvankelijk en het beroep tegen het gewijzigde besluit ongegrond, waarbij werd afgesproken dat het UWV de IVA-claim zou beoordelen. In hoger beroep betoogde appellante dat de rechtbank ten onrechte de IVA-claim buiten beschouwing liet en dat de proceskostenvergoeding te laag was.
De Raad oordeelt dat appellante belang heeft bij de beoordeling van de duurzaamheid van haar volledige arbeidsongeschiktheid en dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende heeft gemotiveerd dat de arbeidsongeschiktheid niet duurzaam is. Appellante bracht geen nieuwe medische gegevens aan die dit oordeel ondermijnen.
De Raad vernietigt het vonnis van de rechtbank, verklaart het beroep tegen het eerste besluit niet-ontvankelijk en het beroep tegen het tweede besluit ongegrond. Tevens veroordeelt de Raad het UWV in de proceskosten en bepaalt een vergoeding voor het betaalde griffierecht.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit van het UWV wordt ongegrond verklaard omdat appellante niet duurzaam volledig arbeidsongeschikt is.