ECLI:NL:CRVB:2018:674
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing Wubo- en AOR-aanvragen wegens ontbreken oorlogsgeweld voor 1949
Appellant, geboren in 1946, diende aanvragen in voor uitkeringen op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo) en de Algemene Oorlogsongevallenregeling (AOR). De Pensioen- en Uitkeringsraad wees deze aanvragen af omdat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij tijdens de relevante perioden in het voormalig Nederlands-Indië persoonlijk oorlogsgeweld had meegemaakt.
De Raad overwoog dat de Wubo alleen van toepassing is op oorlogshandelingen tot de soevereiniteitsoverdracht op 27 december 1949. Appellant stelde dat hij beschietingen had meegemaakt in een kazerne in Djatingaleh, maar uit het KNIL-Stamboek bleek dat zijn vader pas in augustus 1950 naar die locatie was overgeplaatst, waardoor de Wubo niet van toepassing was op de door appellant genoemde gebeurtenissen.
Wat betreft de AOR kon appellant's verklaring niet worden bevestigd door andere bronnen of familieleden, en was er geen bewijs van oorlogsgeweld tijdens de relevante periode. De Raad oordeelde dat het onderzoek adequaat was en verklaarde de beroepen ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De beroepen tegen afwijzing van Wubo- en AOR-aanvragen worden ongegrond verklaard wegens onvoldoende bewijs van oorlogsgeweld voor 27 december 1949.