Uitspraak
OVERWEGINGEN
3. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt:
Centrale Raad van Beroep
Appellante, geboren in 1942, was sinds 1965 gehuwd en woonde jarenlang met haar echtgenoot in Thailand. In 2007 kregen zij beiden een AOW-pensioen toegekend naar de gehuwdennorm. In 2013 keerde appellante terug naar Nederland en woonde zelfstandig in een woning van haar echtgenoot, die in Thailand bleef wonen. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) bleef aanvankelijk uitgaan van een gehuwdenpensioen omdat zij geen duurzaam gescheiden leven aannam.
Appellante maakte bezwaar tegen deze beslissing en stelde dat zij al jaren feitelijk gescheiden leefde, wat werd ondersteund door verklaringen en een brief van haar echtgenoot waarin hij bevestigde dat hij een nieuwe relatie had en niet wilde scheiden. De rechtbank wees het beroep af, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde anders.
De Raad stelde vast dat appellante en haar echtgenoot sinds haar vestiging in Nederland in 2013 ieder een eigen leven leidden, alsof zij niet gehuwd waren, en dat deze toestand bestendig was bedoeld. De financiële ondersteuning van appellante door haar echtgenoot werd gelijkgesteld aan alimentatie. Daarom moest appellante worden aangemerkt als duurzaam gescheiden levend en recht hebben op een AOW-pensioen voor een ongehuwde. Het bestreden besluit werd vernietigd en de Svb werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Appellante wordt vanaf augustus 2013 als duurzaam gescheiden aangemerkt en ontvangt het AOW-pensioen voor een ongehuwde.