ECLI:NL:CRVB:2018:606
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van het recht op WIA-uitkering bij nek-, arm- en psychische klachten
Appellante, wegens nek- en armklachten arbeidsongeschikt sinds april 2013, verzocht om een WIA-uitkering. Het UWV stelde na verzekeringsgeneeskundig onderzoek vast dat zij passend werk kon verrichten en daarom geen recht had op uitkering. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij het medisch onderzoek en de functionele mogelijkhedenlijst als zorgvuldig en juist werden beoordeeld.
In hoger beroep stelde appellante dat zij door psychische klachten en medicijngebruik meer beperkt was dan aangenomen. De Raad oordeelde dat de psychische klachten niet voldoende medisch waren onderbouwd en dat het medicijngebruik geen aanleiding gaf tot extra beperkingen. De functionele mogelijkhedenlijst bleef daarmee ongewijzigd.
Daarnaast werd beoordeeld of er sprake was van toegenomen beperkingen per 12 september 2015. Het UWV stelde vast dat de vermeende toename niet voortkwam uit dezelfde ziekteoorzaak als eerder beoordeeld. De Raad onderschreef dit oordeel en bevestigde het eerdere besluit. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geen recht heeft op een WIA-uitkering wegens onvoldoende medische beperkingen en geen toename van beperkingen door dezelfde ziekteoorzaak.