ECLI:NL:CRVB:2018:556
Centrale Raad van Beroep
- Proces-verbaal
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen beslaglegging op WAO-uitkering
Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV waarbij beslag is gelegd op haar WAO-uitkering. Het beslag betrof een bedrag van €39,24 per maand over de periode september en oktober 2016. De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. Verzoekster stelde hoger beroep in en vroeg tevens om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep beoordeelde het verzoek om voorlopige voorziening. Geconstateerd werd dat het beslag betrekking had op een afgesloten periode in het verleden en dat het beslag inmiddels was opgeheven. Het gevraagde bedrag van restitutie bedroeg slechts €78,48. Er was geen actueel spoedeisend financieel belang dat een voorlopige voorziening rechtvaardigde.
Ook was er geen zwaarwegend belang dat verhinderde dat verzoekster de bodemprocedure afwacht. Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De beslissing werd in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: Verzoek om voorlopige voorziening tegen beslaglegging op WAO-uitkering wordt afgewezen wegens ontbreken van actueel spoedeisend belang.