ECLI:NL:CRVB:2018:534
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing recht op ziekengeld na zorgvuldig medisch onderzoek
Appellante was productiemedewerkster en meldde zich op 4 februari 2013 ziek met lichamelijke en psychische klachten. Haar dienstverband eindigde per 28 februari 2013. Het UWV stelde vast dat zij vanaf 4 maart 2014 meer dan 65% van haar maatmaninkomen kon verdienen en beëindigde het ziekengeld. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij zij het medisch onderzoek en de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) als zorgvuldig beoordeelde.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar psychische beperkingen werden onderschat en dat de diagnose van haar psychiater te beperkt was. De Raad benoemde een onafhankelijke psychiater als deskundige, die concludeerde dat er op de datum in geding geen aanvullende beperkingen waren ten opzichte van de FML, ondanks een latere verslechtering van haar psychiatrische toestand.
De Raad volgde het deskundigenrapport en de verzekeringsarts bezwaar en beroep, die stelden dat er geen aanwijzingen waren voor beperkingen in aandacht, herinneren en handelingstempo op de datum van beoordeling. Ook was er geen reden voor een urenbeperking. De Raad oordeelde dat het UWV voldoende had gemotiveerd dat de functies waarop de schatting was gebaseerd medisch geschikt waren voor appellante.
De Raad bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het besluit tot beëindiging van het ziekengeld wordt bevestigd.