ECLI:NL:CRVB:2018:52
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking Ziektewetuitkering na zorgvuldig medisch en arbeidskundig onderzoek
Appellant, sinds april 2013 in dienst bij een uitzendorganisatie, meldde zich ziek in oktober 2013 en ontving een Ziektewetuitkering. Na een eerstejaars beoordeling in september 2014 stelde een verzekeringsarts beperkingen vast en een arbeidsdeskundige berekende dat appellant 72,56% van zijn maatmanloon kon verdienen. Het UWV trok daarom de uitkering per november 2014 in, wat door appellant werd aangevochten.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel. De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, waarbij ook informatie van de huisarts en behandelend psycholoog was betrokken. Er was geen sprake van een oneerlijk proces of schending van artikel 6 EVRM Pro, ook niet vanwege het ontbreken van eigen deskundigen door appellant.
Appellant stelde meer beperkingen te hebben, maar kon dit niet aannemelijk maken. De Raad onderschreef de medische en arbeidskundige rapporten die de belastbaarheid en geschiktheid voor bepaalde functies bevestigden. Een tweede intrekking van de Ziektewetuitkering per januari 2015 werd eveneens bevestigd, omdat de medische situatie niet was verslechterd.
De verzoeken tot schadevergoeding werden afgewezen. De Raad concludeerde dat het UWV terecht de uitkering introk en dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat zijn beperkingen groter waren dan vastgesteld.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de Ziektewetuitkering en wijst de verzoeken tot schadevergoeding af.