ECLI:NL:CRVB:2018:497
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging lagere vaststelling en terugvordering persoonsgebonden budget wegens niet-naleving administratieve verplichtingen
De zaak betreft het hoger beroep van appellant tegen het besluit van het Zorgkantoor om het persoonsgebonden budget (pgb) voor 2014 lager vast te stellen en een bedrag terug te vorderen. Het Zorgkantoor had het pgb voor 2014 aanvankelijk vastgesteld op €19.915,37, maar bij een besluit van 17 februari 2015 werd dit bedrag verlaagd tot €8.046,64 vanwege onvoldoende verantwoording van zorgkosten. Appellant had contante betalingen gedaan aan een zorgverlener zonder de vereiste facturen en meldingen, wat in strijd is met de administratieve verplichtingen uit artikel 2.6.9 van de Regeling subsidies AWBZ (Rsa).
De rechtbank Gelderland had het beroep van appellant ongegrond verklaard en het besluit van het Zorgkantoor bevestigd. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de zorg wel aan de voorwaarden voldeed en dat de urenbriefjes een betrouwbaar beeld geven. De Centrale Raad van Beroep oordeelt echter dat appellant niet heeft voldaan aan de administratieve verplichtingen en dat het Zorgkantoor terecht het pgb lager heeft vastgesteld en het teveel betaalde bedrag heeft teruggevorderd.
De Raad benadrukt dat het Zorgkantoor zijn bevoegdheid tot lagere vaststelling van het pgb moet uitoefenen met inachtneming van een evenredige belangenafweging. In dit geval is het Zorgkantoor redelijkerwijs tot zijn besluit gekomen, mede omdat onvoldoende is aangetoond dat de zorgverlener daadwerkelijk AWBZ-zorg heeft geleverd. Appellants stelling dat latere jaren wel geaccepteerd zijn, is onvoldoende onderbouwd en niet relevant vanwege gewijzigde wetgeving.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt daarom het bestreden besluit en wijst het hoger beroep af. Er worden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het lagere pgb-bedrag en de terugvordering worden bevestigd.