ECLI:NL:CRVB:2018:485
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van afwijzing WIA-uitkering na zorgvuldige verzekeringsgeneeskundige en arbeidsdeskundige toetsing
Appellant was werkzaam als kok en viel uit wegens rug-, bekken- en psychische klachten, mede door een mishandeling. Na beëindiging van de arbeidsovereenkomst vroeg appellant een WIA-uitkering aan, die door het UWV werd geweigerd wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%.
Het verzekeringsgeneeskundig onderzoek en de functionele mogelijkhedenlijst (FML) legden beperkingen vast, waarbij appellant geschikt werd geacht voor drie functies met een arbeidsongeschiktheid van circa 16-20%. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was en dat de beperkingen juist waren vastgesteld.
In hoger beroep stelde appellant dat onvoldoende rekening was gehouden met zijn beperkingen en hersenletsel, en dat nieuw medisch bewijs dit zou onderbouwen. De Raad concludeerde dat de nieuwe medische stukken betrekking hadden op een latere periode en geen objectieve informatie voor de datum in geding bevatten. Het rapport van de psychiater betrof een onderzoek na de datum in geding en gaf geen aanleiding tot twijfel aan de FML.
De arbeidsdeskundige had de geschiktheid voor de geselecteerde functies overtuigend toegelicht. De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de eerdere uitspraak en oordeelde dat appellant niet in aanmerking komt voor een WIA-uitkering.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.