ECLI:NL:CRVB:2018:4296

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
18 december 2018
Publicatiedatum
8 januari 2019
Zaaknummer
17/6707 PW-PV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging toepassing kostendelersnorm bij ontbreken schriftelijk huurcontract

Appellant ontvangt een bijstandsuitkering en is verhuisd naar een adres waar hij een kamer huurt bij een gezin. Het college heeft de kostendelersnorm toegepast, waardoor zijn uitkering werd verlaagd. Appellant overlegt een verklaring van de hoofdbewoner, maar deze voldoet niet aan de eisen van een schriftelijke huurovereenkomst.

Het college handhaaft het besluit en vraagt om een officieel huurcontract, dat appellant pas later overlegt. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond omdat de verklaring van de hoofdbewoner niet gelijkgesteld kan worden aan een huurcontract.

In hoger beroep voert appellant dezelfde gronden aan, maar de Raad oordeelt dat het college terecht heeft gehandeld. De handgeschreven kwitanties zijn onvoldoende bewijs. Het hoger beroep wordt afgewezen en het verzoek om schadevergoeding wordt niet toegewezen.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de toepassing van de kostendelersnorm vanwege het ontbreken van een schriftelijk huurcontract en wijst het hoger beroep af.

Uitspraak

17.6707 PW-PV

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 30 augustus 2017, 17/2885 (aangevallen uitspraak) en op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)
Datum uitspraak: 18 december 2018
Zitting heeft: A.M. Overbeeke
Griffier: J. Tuit
Appellant is ter zitting verschenen, bijgestaan door mr. T.A. Vetter, advocaat. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D.A. Ahrned.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak en wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar en gebaseerd op de volgende overwegingen.
1.1.
Appellant ontvangt een bijstandsuitkering. Hij is op 21 september 2015 verhuisd naar het adres [adres] . Daar huurt hij een kamer bij een gezin dat uit twee volwassenen en een kind bestaat. Op 29 oktober 2015 is appellant er tijdens een telefoongesprek op gewezen dat hij, als hij een kamerhuurcontract overlegt en er sprake is van een commerciële (huur)relatie, een volledige uitkering als alleenstaande kan ontvangen.
1.2.
Bij besluit van 4 november 2015 heeft het college met toepassing van de kostendelersnorm de bijstand van appellant per 21 september 2015 vastgesteld op 43,33% van het wettelijk minimumloon. Op 20 april 2016 heeft appellant een verklaring van de hoofdbewoner overgelegd waarin de hoofdbewoner verklaart dat appellant maandelijks
€ 150,- bijdraagt in de woonkosten. Het college heeft vervolgens bij besluit van 13 juni 2016 de bijstandsuitkering van appellant ongewijzigd voortgezet omdat de verklaring van de hoofdbewoner geen door het college erkende schriftelijke (huur)overeenkomst is. Bij afzonderlijke brief van 13 juni 2016 heeft het college appellant verzocht om uiterlijk
1 juli 2016 een kamerhuurcontract over te leggen onder vermelding van de te betalen commerciële huurprijs. Dit heeft appellant op 22 juni 2016 gedaan.
1.3.
Bij besluit van 15 februari 2017, na bezwaar gewijzigd bij besluit van 7 april 2017 (bestreden besluit), heeft het college de kostendelersnorm per 1 juni 2016 niet langer van toepassing geacht omdat sprake is van een commerciële relatie.
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit, dat gericht is tegen de ingangsdatum van het buiten toepassing laten van de kostendelersnorm, ongegrond verklaard. De verklaring van de hoofdbewoner van 3 december 2015 die appellant op 21 april 2016 heeft overgelegd is volgens de rechtbank, anders dan appellant heeft betoogd, niet gelijk te stellen aan een schriftelijke huurovereenkomst. In die verklaring staat namelijk geen ingangsdatum, geen informatie over de gehuurde woonruimte en geen bepalingen over de jaarlijkse huurindexering, energiekosten en opzegtermijn. Het college heeft terecht het standpunt ingenomen dat appellant op 22 juni 2016 voor het eerst een kamerhuurcontract heeft overgelegd. Dat kamerhuurcontract is weliswaar ook gedateerd 3 december 2015, maar het is niet aannemelijk dat dit contract op die datum is opgemaakt.
3. De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd zijn in wezen gelijk aan de gronden in beroep. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. Weliswaar heeft het college niet altijd adequaat op e-mailberichten van appellant gereageerd, maar dat doet er niet aan af dat appellant al op 29 oktober 2015 en ook in het besluit van 4 november 2015 is gewezen op de mogelijkheid een kamerhuurcontact over te leggen. Dat heeft hij niet eerder dan op 22 juni 2016 gedaan. De handgeschreven kwitanties van huurbetalingen die appellant in hoger beroep nog heeft overgelegd geven geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen, alleen al omdat die niet controleerbaar of verifieerbaar zijn. De Raad kan zich dan ook vinden in het oordeel van de rechtbank en de overwegingen waarop dat oordeel berust.
4. Het hoger beroep slaagt dus niet.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier De voorzitter
(getekend) J. Tuit (getekend) A.M. Overbeeke

LO