ECLI:NL:CRVB:2018:4285
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging belangenafweging zorgkantoor bij vaststelling persoonsgebonden budget
Appellant ontving voor de jaren 2013 en 2014 een persoonsgebonden budget (pgb) op grond van de Regeling subsidies AWBZ. Het zorgkantoor stelde het pgb vast en vorderde bedragen terug wegens niet-naleving van administratieve verplichtingen. De rechtbank vernietigde de besluiten vanwege het ontbreken van een belangenafweging, maar liet de rechtsgevolgen in stand na een alsnog gemaakte belangenafweging.
In hoger beroep betoogde appellant dat de relatie tussen budgethouder en zorgverlener anders beoordeeld moest worden, mede omdat de moeder van appellant, tevens zorgverlener, het beheer voerde. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat deze omstandigheden niet leiden tot een onevenredige uitkomst. De verantwoordelijkheid voor verantwoording van het pgb ligt bij de budgethouder, ook als de moeder namens hem optreedt.
Er zijn geen bijzondere omstandigheden gesteld die terugvordering van onverschuldigde voorschotten verhinderen. De proceskosten in hoger beroep worden niet toegewezen. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd voor zover aangevochten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de belangenafweging van het zorgkantoor en handhaaft de terugvordering van het persoonsgebonden budget.