ECLI:NL:CRVB:2018:4264
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering onverschuldigd betaalde WAO-uitkering ondanks financiële situatie appellant
Appellant ontving een WAO-uitkering gebaseerd op een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80 tot 100%. Het UWV stelde later vast dat appellant in de periode van 1 januari 2012 tot 1 januari 2013 werkzaamheden als zelfstandige verrichtte, waardoor de uitkering onverschuldigd was betaald en een bedrag van €7.401,90 moest worden teruggevorderd.
Appellant stelde bezwaar in tegen deze terugvordering en voerde aan dat de terugvordering tot onevenredige hardheid zou leiden, mede vanwege zijn pensioen en geringe aanvullende inkomsten. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak in hoger beroep.
De Raad oordeelde dat het UWV gehouden was tot terugvordering op grond van artikel 57 van Pro de WAO en dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de terugvordering tot onaanvaardbare sociale of financiële consequenties zou leiden. Het UWV had bovendien rekening gehouden met de financiële draagkracht van appellant door een passend aflossingsbedrag vast te stellen.
De Raad wees erop dat de vraag naar kwijtschelding van het restantbedrag niet in deze procedure aan de orde was en verwees appellant terug naar het UWV. De uitspraak bevestigt de rechtmatigheid van de terugvordering en wijst het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV terecht het bedrag van €7.401,90 aan onverschuldigde WAO-uitkering terugvordert.