Appellant, gediagnosticeerd met PDD-NOS en ADHD, vroeg een WIA-uitkering aan na uitval in 2010. Het UWV wees deze af op basis van een FML die beperkingen vaststelde, maar met geselecteerde voorbeeldfuncties die appellant nog kon verrichten. Na bezwaar en beroep werd de FML aangepast na een deskundigenrapport van prof. dr. Van den Bosch, die meer beperkingen constateerde, vooral in het persoonlijk functioneren.
Ondanks de aanpassing concludeerde de arbeidsdeskundige dat appellant de geselecteerde functies nog steeds kon verrichten. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en ook in hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep deze beslissing. Daarnaast werd de aanvraag voor een Wajong-uitkering afgewezen omdat appellant meer dan 75% van het maatmaninkomen kan verdienen.
De Raad oordeelde dat de bestreden besluiten aanvankelijk onvoldoende waren gemotiveerd, maar dat dit werd gepasseerd omdat appellant niet benadeeld was. De Raad veroordeelde het UWV in de proceskosten en bepaalde dat het betaalde griffierecht werd vergoed. De aangevallen uitspraken werden bevestigd met verbetering van gronden.