Appellant, voormalig directeur van een technische groothandel, viel op 16 maart 2012 uit en werd door het UWV aanvankelijk ingeschat met een arbeidsongeschiktheid van 64,78%. Na bezwaar werd dit percentage verhoogd naar 68,46%. De rechtbank Zeeland-West-Brabant vernietigde dit besluit en stelde de arbeidsongeschiktheid vast op 74,75%, met verlenging van de WGA-uitkering.
In hoger beroep betoogde appellant dat hij vanwege psychische klachten meer beperkt was en recht had op een IVA-uitkering. De Raad schakelde een onafhankelijke psychiater in, die op basis van uitgebreid medisch onderzoek en functionele mogelijkhedenlijst (FML) een arbeidsongeschiktheid van 77,24% vaststelde. Deze bevindingen werden door de Raad gevolgd, waarbij de eerdere lagere percentages werden verworpen.
De Raad oordeelde dat het bestreden besluit nu een toereikende medische en arbeidskundige onderbouwing bevatte, leidend tot een hogere vaststelling van de arbeidsongeschiktheid. Het verzoek tot schadevergoeding werd afgewezen omdat de verhoging van het percentage niet leidde tot een hogere of langere uitkering. Het UWV werd veroordeeld in de proceskosten van appellant.