Uitspraak
17.1658 WIA
mr. M.J.H.H. Fuchs.
Centrale Raad van Beroep
Appellant, laatstelijk werkzaam als [naam functie], meldde zich ziek vanwege een heupprothese en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en wees de uitkering af. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was en de functionele beperkingen juist waren vastgesteld.
In hoger beroep voerde appellant aan dat de beperkingen ten aanzien van beroepsmatig vervoer onjuist waren weergegeven in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML), met name dat de chauffeursfunctie te belastend was. Appellant stelde dat het rijden in een automaat niet vergelijkbaar is met beroepsmatig rijden en dat hij hierdoor niet geschikt zou zijn voor de functie.
De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank en het UWV dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat er geen medische gegevens waren die de juistheid van de FML in twijfel trokken. De Raad wees het hoger beroep af en bevestigde de uitspraak van de rechtbank, evenals het afwijzen van het verzoek om schadevergoeding.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.