ECLI:NL:CRVB:2018:4220
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WIA-uitkering wegens toegenomen arbeidsgeschiktheid bevestigd
Appellant, laatst werkzaam als kok, meldde zich ziek in 2011 met pijn- en psychische klachten. Hij ontving vanaf 2013 een loongerelateerde WGA-uitkering die in 2015 werd beëindigd wegens een vastgestelde toename in arbeidsgeschiktheid. Het Uwv stelde op basis van medische en arbeidskundige beoordelingen vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en verklaarde het recht op uitkering per 1 september 2015 beëindigd.
Appellant voerde bezwaar aan tegen deze beslissing, stellende dat zijn lichamelijke en psychische klachten onvoldoende werden meegewogen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep paste de Functionele Mogelijkhedenlijst aan, waarna het Uwv het bezwaar ongegrond verklaarde. De rechtbank Limburg bevestigde dit oordeel in 2016.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn klachten, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de rechtbank de gronden afdoende had gemotiveerd en dat de medische rapporten zorgvuldig waren opgesteld. Nieuwe medische stukken boden geen steun voor appellant's standpunt dat zijn beperkingen waren onderschat. De Raad bevestigde daarom de beëindiging van de WIA-uitkering per 1 september 2015.
Uitkomst: De beëindiging van de WIA-uitkering per 1 september 2015 wordt bevestigd.