ECLI:NL:CRVB:2018:4196
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herziening AOW-pensioen met beperkte terugwerkende kracht wegens meerpersoonshuishouden
Appellant diende in juli 2011 een aanvraag in voor AOW-pensioen en gaf aan ongehuwd samen te wonen met zijn partner. Later bleek dat ook een meerderjarig kind inwonend was, waarop de Sociale verzekeringsbank (Svb) het pensioen herzag naar de norm van een alleenstaande met een meerpersoonshuishouden, met terugwerkende kracht van één jaar vanaf oktober 2014.
Appellant maakte bezwaar tegen de beperkte terugwerkende kracht en stelde dat het aanvraagformulier onduidelijk was en dat de Svb had moeten weten dat een meerderjarig kind inwonend was. De rechtbank wees het bezwaar af en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel.
De Raad oordeelde dat het beleid van de Svb, dat herziening met terugwerkende kracht tot maximaal vijf jaar mogelijk is bij een fout van de Svb, correct werd toegepast. Omdat appellant niet alle relevante informatie tijdig had verstrekt en het aanvraagformulier meerdere keuzes bevatte, was er geen fout van de Svb. Ook was er geen bijzonder geval dat een langere terugwerkende kracht rechtvaardigde.
De Raad concludeerde dat de herziening met één jaar terugwerkende kracht terecht is en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de herziening van het AOW-pensioen met één jaar terugwerkende kracht terecht is.