ECLI:NL:CRVB:2018:4141
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bijstand wegens niet gemelde handel in cocaïne
Appellant ontving vanaf 2005 bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet. Het college van burgemeester en wethouders van Smallingerland trok de bijstand over de periode 2009-2014 in en vorderde de kosten terug, omdat appellant de inlichtingenverplichting had geschonden door zijn handel in cocaïne niet te melden.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, omdat hij geen verifieerbare administratie of gegevens over de opbrengst van de handel had overgelegd, waardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld. De rechtbank vond de naheffing van de Belastingdienst en de ontnemingsvordering onvoldoende bewijs.
Appellant stelde in hoger beroep dat de terugvordering te hoog was vastgesteld, verwijzend naar de genoemde stukken. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat zonder objectieve gegevens het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld en dat de berekening van het teruggevorderde bedrag niet onjuist of onduidelijk was. Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de terugvordering van bijstand van €54.501,24 wordt bevestigd.