ECLI:NL:CRVB:2018:4003
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling loongerelateerde WGA-uitkering na herbeoordeling arbeidsongeschiktheid
Appellante was werkzaam als inpakster en meldde zich in 2010 ziek vanwege psychische klachten. Het UWV ontzegde aanvankelijk een WIA-uitkering per 17 december 2012 omdat zij niet arbeidsongeschikt werd geacht. Na een opname in een psychiatrisch ziekenhuis werd een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend voor de periode tot 19 maart 2015.
Een herbeoordeling in 2014 leidde tot de conclusie dat appellante vanaf 11 april 2014 weer volledig arbeidsgeschikt was. Het UWV stelde vervolgens vast dat zij vanaf 19 maart 2015 minder dan 35% arbeidsongeschikt was en geen recht meer had op een WIA-uitkering. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en alle klachten waren meegewogen.
In hoger beroep stelde appellante dat haar beperkingen waren onderschat en verzocht om benoeming van een deskundige. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat de rechtbank terecht had geoordeeld dat de beoordeling zorgvuldig was en dat het medisch oordeel niet onjuist was. De Raad vond geen aanleiding voor het inschakelen van een deskundige en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante per 19 maart 2015 minder dan 35% arbeidsongeschikt was en geen recht meer had op een WIA-uitkering.