ECLI:NL:CRVB:2018:3981
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellant, laatstelijk werkzaam als lasser, meldde zich ziek vanwege klachten aan zijn linkerhand en psychische problemen. Het UWV stelde bij besluit vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en weigerde daarmee een WIA-uitkering. De rechtbank Noord-Nederland verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarbij zij oordeelde dat de medische beoordeling zorgvuldig was en dat de beperkingen juist waren vastgesteld.
In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn arbeidsongeschiktheidspercentage onjuist was vastgesteld, onder meer omdat zijn fysieke klachten en psychische aandoeningen onvoldoende waren meegewogen en de geselecteerde functies niet passend waren. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, dat de beperkingen juist waren vastgesteld en dat de geselecteerde functies de belastbaarheid van appellant niet overschreden.
De Raad concludeerde dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij verdergaand beperkt was dan door het UWV was vastgesteld. Ook werd geoordeeld dat de psychische klachten niet automatisch tot extra beperkingen leiden. Het hoger beroep werd daarom afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is.