ECLI:NL:CRVB:2018:3930

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
21 november 2018
Publicatiedatum
7 december 2018
Zaaknummer
16/8146 WIA
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AIBArt. 3.74 Wet IB 2001Art. 3.78 Wet IB 2001
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit UWV inzake inkomen op grond van WIA en ondernemersaftrek

In deze zaak stond de vraag centraal hoe het inkomen moet worden vastgesteld voor de toepassing van de WIA-regeling, specifiek of de stakingsaftrek als aparte aftrekpost kan worden toegepast naast de ondernemersaftrek en MKB-winstvrijstelling.

Het UWV had een besluit genomen dat het inkomen baseerde op de belastbare winst uit onderneming, vermeerderd met de ondernemersaftrek en de MKB-winstvrijstelling, conform artikel 3:2 van Pro het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten (AIB) en artikel 3.74 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001). De appellant stelde dat een extra aftrekpost, de stakingsaftrek, moest worden toegepast.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de stakingsaftrek onderdeel uitmaakt van de ondernemersaftrek en dat de tekst van de wet helder is, waardoor een extra aftrek zoals voorgesteld door appellant niet mogelijk is. Het eerdere besluit van het UWV werd vernietigd en het beroep tegen het gewijzigde besluit werd ongegrond verklaard.

Daarnaast werd het UWV veroordeeld tot betaling van proceskosten en vergoeding van griffierechten aan appellant.

Uitkomst: Het beroep tegen het eerste besluit van het UWV wordt gegrond verklaard en vernietigd, het beroep tegen het tweede besluit wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

16.8146 WIA-PV

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 21 november 2016, 15/7543 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 21 november 2018
Zitting heeft: H.G. Rottier
Griffier: S.L. Alves
Ter zitting is verschenen: mr. S. van Gent, kantoorgenoot van de gemachtigde van appellant.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • vernietigt de aangevallen uitspraak;
  • verklaart het beroep tegen bestreden besluit 1 gegrond en vernietigt dat besluit;
  • verklaart het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond;
  • veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 2.254,50;
  • bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 156,- vergoedt.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen:
Het Uwv heeft op 12 november 2018 een gewijzigde beslissing op bezwaar
(bestreden besluit 2) genomen. Hieruit volgt dat de beslissing op bezwaar van
9 november 2015 (bestreden besluit 1) niet meer juist is. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak wordt vernietigd. Het beroep tegen bestreden besluit 1 wordt gegrond verklaard
en bestreden besluit 1 wordt vernietigd.
Nu met bestreden besluit 2 niet volledig tegemoet is gekomen aan de bezwaren van appellant is het beroep van rechtswege mede gericht tegen bestreden besluit 2.
Op grond van artikel 3:2, eerste lid, aanhef en onder d, van het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten (AIB) wordt onder inkomen verstaan de belastbare winst uit onderneming. In dit artikel is tevens bepaald dat de belastbare winst uit onderneming moet worden vermeerderd met de ondernemersaftrek en de MKB-winstvrijstelling. Wat onder de ondernemersaftrek moet worden verstaan is bepaald in artikel 3.74 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001). In artikel 3.74, aanhef en onder e, van de
Wet IB 2001 is bepaald dat de stakingsaftrek onderdeel uitmaakt van de ondernemersaftrek. De bewoordingen van artikel 3:2, eerste lid, aanhef en onder d, van het AIB zijn helder.
Er is wel de verwijzing in het latere deel van artikel 3:2, eerste lid, aanhef en onder d, van het AIB naar het begrip winst zoals dat is genoemd in artikel 3.78 van de Wet IB 2001 over de meewerkaftrek, maar dat doet niet af aan de duidelijke tekst van artikel 3.74 van de
Wet IB 2001.
Een aftrek zoals door appellant wordt voorgestaan, is dan ook niet mogelijk.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier De voorzitter
(getekend) S.L. Alves (getekend) H.G. Rottier

LO