ECLI:NL:CRVB:2018:3890
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van afwijzing hoger beroep op WAO-uitkering na beoordeling arbeidsongeschiktheid
Appellant was werkzaam als facilitair medewerker en meldde zich ziek vanwege een gebroken schouder. Na een wachttijd werd hem een WAO-uitkering toegekend, later verlaagd wegens deeltijdwerk als conciërge. Na beëindiging van het dienstverband ontving appellant een Ziektewetuitkering.
In 2015 en 2016 vonden medische en arbeidsdeskundige onderzoeken plaats, waarbij werd vastgesteld dat appellant beperkingen had, maar geschikt was voor andere functies, wat resulteerde in een arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Het UWV verklaarde het bezwaar van appellant tegen deze vaststelling ongegrond.
De rechtbank oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de berekening van de arbeidsongeschiktheid juist was, waarna het beroep ongegrond werd verklaard. Appellant voerde in hoger beroep aan dat zijn medische situatie niet was verbeterd en dat hij bij een ZW-beoordeling volledig arbeidsongeschikt was geacht, maar dit leidde niet tot een ander oordeel.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde de uitspraak van de rechtbank, benadrukkend dat het beoordelingskader voor WAO anders is dan voor ZW, en dat de maatgevende arbeid voor WAO het oorspronkelijke werk van appellant was. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van het hoger beroep en handhaaft de vaststelling van een arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.